• alle tegels
  • columns
  • Warme plek

    Blik van Buiten

    Jan moet naar de dagbesteding. Of nou ja, ‘moet’, hij wíl ook graag. 62 jaar oud, een boomlange kerel. Grijs haar, grofgebouwd. Ik tref hem aan in zijn kamer, waar hij op bed zit te mopperen op zijn loopkarretje. ‘We gaan dat morgen voor je regelen, Jan,’ zegt een begeleidster. ‘Maar het werkt zo nog prima.’ Dat ziet Jan toch echt iets anders. Ik lach en ben het met hem eens; prima is wanneer iets prima werkt, maar wanneer iets defect is, hoe klein dat defect ook is, dan is het niet prima. Zijn begeleidster spoort hem aan om, ondanks zijn stroeve wiel, toch te vertrekken. Als hij opstaat wordt hij aan mij voorgesteld. ‘Deze jongeman gaat met je mee vandaag.’ Hij kijkt tegelijk argwanend en vrolijk, alsof hij wel blij is maar me nog niet helemaal kan vertrouwen.

    Jan weet de weg naar de werkplaats, een paar straten verderop. Normaal gaat hij gewoon alleen. We staan samen in de lift. Ik weet even niks te zeggen en voel me ongemakkelijk. De lift is krap. Ik ga er vanuit dat ook Jan zich ongemakkelijk voelt, omdat iedereen dat toch lastig vindt, zwijgend in de lift staan. Maar als ik naar hem kijk zie ik hem alleen maar geconcentreerd naar het digitale cijfertje aan de wand kijken. 3, 2, 1, 0. Ik besta nu even helemaal niet voor hem.

    We lopen naast elkaar. Met zijn karretje neemt hij veel ruimte in. Af en toe, als de stoep te smal is, moet ik even op straat lopen. Hij heeft wat ik klompvoeten zou noemen, maar dat zal vast een politiek en medisch incorrecte term zijn. Zijn schoenen zijn verhoogd, hij loopt moeilijk.

    ‘Ik zou nu al de weg terug niet meer weten,’ zeg ik na een paar straten, en lieg niet. Jan kijkt me even verbaasd aan en grijnst dan breed en fonkelend. Misschien, hopelijk, omdat hij geniet van het feit dat hij iets beter kan dan een jonge man zonder loopkarretje.

    In de werkplaats wordt hij amicaal ontvangen door de begeleiders aldaar en krijgt hij zijn eigen tafel toegewezen. Vandaag moet hij spijkers tellen. Een spijker met een stukje plastic eraan, die worden gebruikt voor lades. Een andere cliënt zet ze in elkaar. Per honderd doet Jan ze in een doosje. Hij gebruikt er een speciaal houten bord voor, waarop precies honderd gaatjes zitten. Het eindproduct wordt afgenomen door een bedrijf, die daar ook daadwerkelijk voor betalen. Een mooie symbiose.

    In de pauze wordt hij euforisch en luidruchtig wanneer begeleider Rob hem vraagt naar de aanstaande wedstrijd van PSV, waar hij binnenkort naartoe gaat. Zijn plezier is aanstekelijk en ontwapenend. Rob glimlacht naar me; hij heeft het zo opgezet. Maar dan woede. Jan denkt voortijdig al terug naar Heeschwijk te mogen lopen. ‘Pas om half één, Jan,’ zegt Rob. Jan maakt een wilde armbeweging, een halfslachtige poging tot een klap, en komt woest overeind. Rob pakt hem bij de arm, praat beheerst en rustig tegen hem en begint weer over voetbal. Jan hapt toe en bedaart binnen enkele seconden.

    Op de terugweg focust hij weer op zijn voetstappen en bestemming. Ik loop naast een kind en een oude man in één. Ik realiseer me hoe bijzonder het is dat hij een warme plek heeft om naartoe te gaan, waar ze op hem wachten, dat alles daar voor hem is, dat hij geen moment hoeft te vrezen voor gebrek aan eten, aandacht, warmte. Dat het niet eens in hem opkomt dat het anders had kunnen zijn.


    Elke week geeft een schrijver of blogger zijn of haar ‘Blik van Buiten’. Zo ook Henk van Straten (De Correspondent, de Volkskrant). Hij ging langs bij verschillende locaties van Dichterbij, op zoek naar de verhalen achter Als je het mij vraagt.

    Reacties:

    Geef een reactie

    Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *