• alle tegels
  • columns
  • Jaaaa…

    Na mijn bezoek aan de heren op leeftijd, is huisnummer 11 aan de beurt. De jonge garde. Begeleidster Jolanda (52) en een stagiaire ontvangen me. Als ik binnenkom, zijn ze net klaar met eten, ook pannenkoeken. Het is rustig in de woonkamer. Van de vijf bewoners zijn alleen Jurgen, Frank en Erik thuis. Ze zitten voor de tv. De anderen zijn naar de Deelraad.

     

    Ik neem plaats naast Jurgen op de bank. Hij ziet er moe, maar voldaan uit. Jurgen is wat je noemt het prototype van een Downer. Eentje met een hoog knuffelgehalte. Blijmoedig, bol gezicht, kleine ogen en mond, ontwapenende lach. Hij heeft zijn pyjama al aan, met daaronder grote tijgersloffen.

    “Wat heb je allemaal gedaan vandaag?” vraag ik.

    “Hard gewerkt.”

    Oké, ik weet het weer: zo concreet mogelijke vragen stellen. “Wat voor werk doe je?”

    “Machine.”

    “Wat voor machine?”

    “Doppen.”

    Verdulleme nog aan toe, dit worden tientallen vragen voordat ik iets wijzer ben. Ik besluit een andere strategie toe te passen.

    “Ben je moe?”

    “Jaaaa,” zucht Jurgen voldaan. Hij kijkt me aan en trekt beide mondhoeken omhoog. Ik stel nog een vraag. Weer trekt Jurgen zijn gezicht in een lach. Het lijkt wel een automatisme. “Jaaaa,” zucht hij wederom.

    Nu twijfel ik. Wil hij gewoon met rust gelaten worden of antwoordt hij altijd in één zucht? Ik heb werkelijk waar geen idee.

    “Jurgen heeft drie poppen,” probeert Jolanda ons gesprek vlot te trekken, “daar slaapt hij mee. Of niet soms, Jurgen?”

    “Jaaaa…”

    “Nancy is zijn lievelingspop.”

    “Waarom is zij jouw lievelingspop?” probeer ik.

    “Jaaaa…” zucht Jurgen.

     

    Enfin, daar zitten we dan, voor de tv. De stagiaire zet koffie.

     

    Links naast me zit Frank, wat onderuitgezakt in een fauteuil kijkt hij naar een immens lang reclameblok op RTL4. Mager gezicht, rechtopstaand donker haar, guitige ogen. Frank kan niet praten, maar wel lachen. Aan de momenten waarop hij af en toe schaterend zijn hoofd in de nek gooit, merk ik dat hij veel begrijpt.

    Frank zou eigenlijk gaan paardrijden vanavond, vertelt Jolanda, maar is – door zijn epilepsie – op zijn rug gevallen en heeft nu een ribblessure.

     

    Naast Frank zit Erik, verdiept in zijn tablet. Erik woonde vroeger op zichzelf. Met slechts twee uur begeleiding per dag kon hij zijn eigen leventje prima rooien. Tot een hersenbloeding roet in het eten gooide. Nu woont hij hier. In tegenstelling tot de andere bewoners kan Erik lezen en schrijven, en regelt nog steeds veel zaken zelf. “Maar door de hersenbloeding komt hij niet altijd goed uit zijn woorden,” vertelt Jolanda. Voor mij als buitenstaander zijn het veel meer hese klanken die hij uitstoot, maar Jolanda begrijpt hem opmerkelijk goed.

     

    Intussen is Jurgen naast mij in slaap gesukkeld, knikkebollend. Jolanda merkt het op. Ze duwt een wijsvinger tegen haar getuite lippen en wijst. Frank en Erik lachen. Jurgen schrikt wakker. Hij kijkt rond en weet wat hem te doen staat. Zijn mondhoeken omhoog trekken.

    “Wij gaan straks sjoelen, hè Jurgen? Dat had ik beloofd,” zegt Jolanda.

    “Jaaaa…” zucht Jurgen. Aan de twinkeling in zijn ogen kan ik zien dat dit een verzuchting van puur geluk is.

     

     


    Blik van Buiten

    Elke week geeft een schrijver of blogger zijn of haar ‘Blik van Buiten’. Zo ook columnist Luuk Koelman. Hij ging langs bij verschillende locaties van Dichterbij, op zoek naar de verhalen achter Als je het mij vraagt.

    Reacties:

    Geef een reactie

    Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *